Bijvangst onterecht in negatief daglicht

Vragen van het lid Visser (VVD) aan de staatssecretaris van Economische Zaken over het bericht dat de Nederlandse visser niet op bijvangst zit te wachten:

1. Bent u bekend met het artikel uit de Trouw d.d. 10 januari 2017 “Alle vis moet aan wal”?[1]

2. Bent u bekend met het initiatief van de VISwijzer/Good Fish Foundation, de Bijvangstwijzer, die verspilling van eetbare bijvangstvis wil tegengaan?

3. Kan bevestigd worden of uw ministerie een extra subsidie heeft verleend van 75.000 euro ten behoeve van dit project? In welk kader is deze subsidie verstrekt?  Is de subsidie verstrekt in het kader van het EFMZV?

4. Wat is uw reactie op de tweet van VISwijzer waarin u wordt gequote dat “als mensen meer waarderen wat de vissers allemaal vangen zou de aanlandplicht minder een probleem zijn”?[1]

5. Kunt u ingaan op de suggestie dat de Bijvangstwijzer de problemen die de aanlandplicht voor de Nederlandse visser met zich meebrengt kan oplossen? Zo ja, kunt u een onderbouwing geven?

6. Kunt u aangegeven hoeveel van de (bij)vangst bestaat uit marktwaardige vis die niet verkocht kan worden wegens gebrek aan marktvraag?

7. Kunt u aangeven hoeveel van de bijvangst bestaat uit te jonge of te kleine vissen, oftewel niet toegelaten voor menselijke consumptie? Deelt u de mening dat in deze context, het nadrukkelijk vragen van aandacht voor bijvangst niet de doeltreffendheid van de aanlandplicht als middel tot verduurzaming onderstreept, maar juist de pijnpunten van het beleid blootlegt? Zo nee, waarom niet?

8. Bent u van mening dat de Nederlandse visser te weinig initiatief toont om bijvangstvis op de markt te brengen? Zo ja, waar baseert u deze conclusie op?

9. Kunt u toelichten waarom met name schar wordt gepromoot door de Bijvangstwijzer, terwijl het merendeel van schar vaak te klein is om verkocht te worden, ook omdat er weinig visvlees aan zit? Wat heeft de Nederlandse visser en consument aan dit initiatief, aangezien deze kleine vis, die door de aanlandplicht verplicht moet worden meegenomen, niet geschikt is voor verkoop?

10. Kunt u toelichten, nu de bestandsontwikkelingen van de Noordzeevissen positief zijn, waarom er voor gekozen is om bijvangst in een negatieve context te promoten in plaats van de Noordzee vis positief te positioneren? Kunt u aangeven of er in deze wordt samengewerkt met partijen zoals het Nederlands Visbureau?  Kunt u, indien dat niet het geval is, aangeven waarom dat niet is gebeurd?

11. Kunt u toelichten waarom belangrijke bijvangstsoorten, zoals tarbot en griet, waar de bestanden een sterke groei doormaken en waar u zich in Europees verband hard heeft gemaakt voor een vangstverhoging, op de Bijvangstwijzer juist worden afgeraden? Wat zegt dit volgens u over de objectiviteit van initiatiefnemers als VISwijzer en Good Fish Foundation? En wat over de samenwerking van deze partijen met de Nederlandse visserijsector? Vindt u dat de objectiviteit van de informatie op deze door de overheid gesubsidieerde sites en initiatieven voldoende geborgd is? Zo ja, kunt u dat nader onderbouwen?

12. Bent u bereid grondig te laten onderzoeken hoe groot het aandeel van onverkoopbare jonge/kleine vissoorten in de bijvangst is, zodat in kaart kan worden gebracht wat de negatieve gevolgen van de aanlandplicht zijn voor de Nederlandse visser, maar ook voor de vispopulatie in de Noordzee? 


[1] Trouw, “Alle vis moet aan wal”, Jenda Terpstra, 10 januari 2017